Aanbeveling van 16 juni 1989 aangaande de toepassing van artikel 13 van het reglement van beroepsplichten (Publiciteit)

Goedgekeurd door de Nationale Raad in de zitting van 16 juni 1989.

Deze aanbeveling wordt gegeven in overeenstemming met art. 3, 2de lid van het Reglement van Beroepsplichten, goedgekeurd bij K.B. van 18 april 1985 (B.S., 8 mei 1985) . Ze wordt van kracht op 1 september 1989.

1. Inleiding

Artikel 13 van het Reglement van Beroepsplichten preciseert op welke wijze de architect zijn activiteit aan het publiek bekend mag maken. Het Reglement bepaalt dat deze bekendmaking dient te gebeuren op onafhankelijke en discrete wijze (art. 13), rekening houdende met de waardigheid van het beroep (art. 14) en zonder zijn confraters in hun beroepssituatie te schaden (art. 25).

2. Toelichting bij art. 13 van het Reglement van Beroepsplichten

Bij de boodschap door de architect aan het publiek gericht, kunnen drie stadia worden onderscheiden:

A) Eerste stadium: de informatie
De architect kan, bij de uitoefening van zijn beroep, het publiek informeren.
Deze informatie is intellectueel van aard en heeft een objectief karakter.
Zij behoort tot de beroepsdaden die de architect van oudsher zijn toegestaan.
In sommige gevallen is de informatie zelfs een verplichting, bijvoorbeeld bij de naamaanduiding op de werf.
De voorstelling heeft dan een sober en gereglementeerd karakter.

B) Tweede stadium: de geoorloofde publiciteit
De architect die het publiek wenst te informeren kan daarenboven gebruik maken van publiciteitsmiddelen.
Onder geoorloofde publiciteit verstaat de Orde een objectieve informatie, voorgesteld in een aantrekkelijke vorm, maar steeds met mate en omzichtigheid.
Zij zal beantwoorden aan de bepalingen van artikel 13, eerste en tweede alinea van het Reglement van Beroepsplichten, alsmede aan de algemeen aanvaarde regels inzake publiciteitsethiek, met name het weren van elke vorm van misleidende, vergelijkende of verwarring stichtende publiciteit.
Ze is bedoeld om bij te dragen tot een grotere bekendheid van de architect en de belangstelling van potentiële cliënten aan te wakkeren.
Onder deze vorm is de publiciteit voor de architect een nieuw begrip dat, zij het op impliciete wijze, als een geoorloofd middel wordt aangemerkt in de bepalingen van art. 13, eerste en tweede lid van het Reglement van Beroepsplichten.

C) Derde stadium: de ongeoorloofde publiciteit
Doch de architect mag bij de uitoefening van zijn beroep geen publiciteit voeren die tegenstrijdig is met de voorschriften van het Reglement van Beroepsplichten.
Dit is met name het geval indien de publiciteit zou indruisen tegen de eer en de waardigheid van het beroep, of van aard zou zijn dat ze de onafhankelijkheid van de architect in het gedrang kan brengen.
In die zin dient dan ook elke vorm van opdringerige of overdreven publiciteit als ongeoorloofd beschouwd te worden. Vanzelfsprekend is dit eveneens het geval voor elke vorm van misleidende, vergelijkende of verwarringstichtendepubliciteit.

3. Besluit

Ofschoon de publiciteit een maatschappelijk gegeven is, dient men dit middel met de nodige omzichtigheid aan te wenden, gelet op de nieuwigheid van het begrip als het toegepast wordt op de architect als titularis van een vrij beroep.
Het is een onmogelijke zaak elk specifiek geval te voorzien; het komt de provinciale Raden toe over elk geval afzonderlijk te oordelen.
De architect die twijfelt omtrent hetgeen al dan niet geoorloofd is in deze nieuwe en delicate materie dient, voorzichtigheidshalve, het voorafgaandelijk advies van zijn Raad in te winnen. Hij mag niet vergeten dat de plichtenleer, bovenop neergeschreven regels, geïnterpreteerd wordt in functie van een samenhang van feiten die zijn gedrag kenmerken en die een sociale, economische en culturele aard hebben.
Deze Aanbeveling is, evenals alle regels inzake de plichtenleer, toepasselijk op iedere persoon die gerechtigd is het beroep van architect in België uit te oefenen, en dit onverminderd zijn/haar nationaliteit.