Net Zero Bouwen: hoe maken we het werkbaar en betaalbaar?
Tijdens een boeiend panelgesprek op ARCHITECT@WORK Kortrijk op donderdag 15 mei gingen drie experten uit de bouw- en architectuurwereld in gesprek over een van de meest urgente uitdagingen van vandaag: net zero bouwen. Moderator Bertrand Lafontaine (Architectura) leidde het gesprek met Lode Lefevre (VK Architects & Engineers), Els Vandenberghe (Pixii) en Iwein Meyskens (Archipelago Architects). Over samenwerking, sufficiëntie, circulair bouwen en de rol van de opdrachtgever.
‘Net zero’, wat betekent dat eigenlijk?
Het gesprek startte met een fundamentele vraag: wat bedoelen we precies met net zero bouwen? Volgens Lode Lefevre is het essentieel om eerst de scope scherp te stellen. “De verwarring rond net zero draait vaak om wat je wel of niet meerekent,” stelde hij. “Er is een groot verschil tussen operationele en ingebedde CO₂. De eerste ontstaat door het energieverbruik van een gebouw, de tweede door de productie, het transport en de verwerking van materialen. Ingebedde CO₂ komt in één keer vrij, nog voor het gebouw in gebruik is. Hoe langer je het gebouw gebruikt, hoe lager de jaarlijkse uitstoot per gebruiksjaar. Ook de manier waarop we ‘nul’ definiëren, verdient nuance. Bij energie kunnen we overschotten op het net zetten en later terugnemen. Maar bij materialen is dat veel moeilijker. Je kunt CO₂ niet zomaar ‘opslaan’ en later terughalen. Compensatie via bosaanplanting klinkt mooi, maar wie garandeert dat dat bos over 50 jaar nog bestaat?”
Van CO₂-tunnelvisie naar bredere duurzaamheid
“We denken te veel in CO₂-termen,” vulde Els Vandenberghe aan. “Alles wordt omgerekend naar CO₂-equivalenten, wat handig is voor vergelijkingen, maar het gevaar is dat we in een soort koolstoftunnelvisie terechtkomen. Biodiversiteit, watergebruik, hitte-eilanden – dat zijn ook belangrijke aspecten van duurzaamheid.” Ze waarschuwde ook voor het gemak waarmee sommige bedrijven naar compensatie grijpen: “Offsetting (compensatie, red.) mag geen excuus zijn om business as usual voort te zetten. Eerst reduceren, dan pas compenseren – dat moet de volgorde zijn.”
Bewust bouwen begint bij het begin
Voor Iwein Meyskens is bewustwording de sleutel. “Je moet eerst begrijpen waarom je emissies wil verlagen. Daarna heb je een duidelijke methode nodig om de impact van je keuzes te meten. Kunnen we minder bouwen? Of anders bouwen? Dat zijn de vragen die we moeten stellen. Technologie is niet het probleem – het gaat om samenwerking, doelstellingen en vertrouwen. We proberen het lineaire proces te doorbreken. Niet eerst ontwerpen en dan pas technische partners inschakelen, maar al in een vroeg stadium performantiegericht ontwerpen. Dat betekent: simulaties maken, keuzes afwegen, en dat niet alleen op CO₂-niveau, maar ook op vlak van materiaalgebruik, sociale inclusie en ruimtelijke kwaliteit.”
Lode Lefevre pleitte ook voor een bredere vorm van commissioning: “Als we CO₂ ‘uitgeven’ bij de start van een project, dan moet het gebouw ook effectief lang blijven staan. Overheden zouden daar een rol in moeten spelen, bijvoorbeeld door afbraak tegen te gaan.”
Els Vandenberghe: “Samenwerking gaat niet alleen over het bouwproces, maar ook over hoe een gebouw zich verhoudt tot zijn omgeving. Denk aan passieve maatregelen zoals bomen voor zomercomfort. Of aan gedeeld gebruik: co-housing, gedeelde ruimtes... Dat is óók samenwerking, maar dan tijdens de gebruiksfase.”
Duurzaamheid als overtuiging
Voor Iwein Meyskens begint het bij een duidelijke visie: “Wij vertrekken vanuit zorg voor mens, omgeving en architectuur. Als je die visie inhoudelijk sterk onderbouwt, kun je het gesprek aangaan met de opdrachtgever. Soms krijg je de opdracht niet, maar je hebt wél bewustwording gecreëerd. En dat is ook waardevol. Het gaat niet alleen om behouden wat er is, maar ook om herstellen en toevoegen. Alleen zo kunnen we toekomstgericht blijven bouwen.”
Lode Lefevre: “We moeten verder kijken dan CO₂ per vierkante meter: kijk naar CO₂ per vierkante meter per jaar. Hoe langer een gebouw meegaat, hoe meer de initiële impact rendeert. Intensiever gebruik is dus een sleutelbegrip. Een gebouw van 1000 m² dat 100 jaar lang door één persoon wordt gebruikt, is iets heel anders dan wanneer het intensief gedeeld wordt. Denk aan scholen die ’s avonds gebruikt worden voor avondonderwijs of buurtactiviteiten. Dat is dubbel gebruik – een tweede shift. Daar ligt een enorme CO₂-winst: het gaat niet meer over de juiste isolatieplaat kiezen, maar over het programma. Architecten kunnen op dat niveau echt impact maken.”
Van efficiëntie naar sufficiëntie
Een opvallend thema dat in het panelgesprek naar voren kwam, was de verschuiving van efficiëntie naar sufficiëntie. Waar efficiëntie draait om het optimaliseren van middelen, stelt sufficiëntie een fundamentelere vraag: hebben we dit wel echt nodig?
Els Vandenberghe: “Efficiëntie blijft belangrijk, maar we moeten eerst kijken naar wat genoeg is. Moeten we zoveel bouwen? Moeten we zoveel technieken installeren? Kunnen we niet meer doen met minder?” Ze wees op de grote hoeveelheid leegstaande gebouwen in Vlaanderen en de nood aan hergebruik: “Er zijn genoeg gebouwen om iedereen een woning te geven. De uitdaging is: hoe organiseren we dat?”
Sufficiëntie betekent ook: anders denken over comfort. “Moet het altijd 22 graden zijn in de winter?” vroeg Iwein Meyskens zich af. “Of kunnen we ook werken met relatief comfort – 19 graden en een trui? Dat maakt een groot verschil in energieverbruik.”
Els Vandenberghe: “Er is veel onderzoek gedaan naar hoe een lichaam zich aanpast aan veranderende temperaturen. Iemand die gewoon is aan 19 graden, zal veel minder discomfort ervaren dan iemand die thuis altijd op 23 graden zit en dan ineens in een ruimte van 19 graden komt – die zal kou hebben. Omgekeerd geldt dat ook. Zeker met de problematiek rond hittestress en hitte-eilandeffecten zijn er nu onderzoeken, onder andere aan de Universiteit van Maastricht, naar hoe ver een lichaam zich kan aanpassen aan hittestress. Men heeft vastgesteld dat dat eigenlijk vrij ver kan gaan. We moeten dus echt nadenken over het niet meer inschakelen van actieve koeling. Het lichaam is behoorlijk veerkrachtig.”
Comfort, gezondheid en beleving
Naast energie en materiaalgebruik kwam ook het menselijke aspect aan bod. Iwein Meyskens pleitte voor een bredere kijk op comfort: “We moeten niet alleen kijken naar temperatuur en ventilatie, maar ook naar beleving. Wat zie je als je uit het raam kijkt? Hoe voelt een ruimte aan? Dat heeft impact op onze gezondheid.” Hij stelde dat betaalbaarheid net een kans kan zijn om het gesprek aan te gaan over comfort en gebruik: “Misschien blijft de investeringskost gelijk, maar de gebruikskosten dalen. En dat opent de deur naar andere keuzes.”
Is het niet eenvoudiger is om net zero ambities te realiseren bij nieuwbouw? Lode Lefevre: “Bij bestaande gebouwen zit er al een CO₂-impact in de structuur. Als je die hergebruikt, heb je een lagere footprint. Maar je moet anders ontwerpen: vertrekken van wat er is, en je programma daaraan aanpassen.” Hij pleitte voor een verschuiving in prioriteiten: “We moeten af van het idee dat het programma altijd leidend is. In plaats daarvan moeten we kijken: wat is er al, en hoe kunnen we dat op een duurzame manier inzetten?”
Circulair bouwen: van theorie naar praktijk
De discussie verschoof naar een ander cruciaal thema: circulair bouwen. Volgens Els Vandenberghe is het uitgangspunt duidelijk: “In geen enkel geval moet je direct van een wit blad vertrekken. Je moet altijd eerst kijken: wat kunnen we behouden?” Ze benadrukte dat circulair bouwen niet alleen over materialen gaat, maar ook over het programma en het ontwerp. “Hoe kunnen we levenslang en levensbestendig ontwerpen? Dat is de kern.” Ze wees erop dat het bestaande patrimonium zelden circulair is opgebouwd. “We komen uit een tijd van bouwen en slopen. Nu moeten we dat bestaande patrimonium herdenken en herwerken.”
Ook Iwein Meyskens onderstreepte het belang van een circulair businessmodel: “Zonder dat model wordt het moeilijk. Zelfs als je maatschappelijk geëngageerd bent, strijd je tegen het proces als de basisopdracht het niet ondersteunt.”
Materialen: overvloed en complexiteit
Moderator Bertrand Lafontaine bracht het gesprek naar de rol van materialen. Lode Lefevre: “Echte circulariteit begint bij hergebruik. Demontabel ontwerp is een belofte voor de toekomst. Maar als je vandaag circulair wil zijn, moet je hergebruiken. Er bestaan demontagetests en monitoringtabellen, waarbij per fase wordt geëvalueerd wat behouden kan blijven. De sleutel ligt niet alleen in nieuwe technologieën, maar ook in samenwerking met hergebruikhandelaars en demonteurs.”
Els Vandenberghe: “Voor ontwerpers is het vandaag complexer dan ooit. Er zijn veel meer materialen beschikbaar, wat kansen biedt, maar ook vragen oproept: mag ik dit gebruiken? Voldoet het aan de normen?” Toch ziet ze ook hoop: “Elke crisis biedt ruimte voor creativiteit. België is op vlak van materiaalimpact vooruitstrevend. Denk aan TOTEM – een tool die internationaal erkenning krijgt. Die helpt ontwerpers om keuzes te maken op basis van milieu-impact.”
De rol van de opdrachtgever: van ruimtevraag naar bewustwording
In het slot van het panelgesprek kwam de rol van de opdrachtgever centraal te staan.
Iwein Meyskens schetste een genuanceerd beeld: “De meeste klanten vertrekken vanuit een ruimtebehoefte en een budget. Sommigen zien hun project als een financieel product en willen vooral labels. Anderen zijn echt ambitieus en willen bijdragen aan verandering. Het aan de ontwerper om het gesprek te verdiepen. We moeten matuur genoeg zijn om de vraag van de klant te herformuleren. Niet zomaar meegaan in een esthetisch beeld, maar vragen: wat is je echte nood?”
Lode Lefevre: “De basis is altijd een programma en een prijs. Maar als we daar al een vraag bij kunnen stellen, is dat op zich al een duurzame stap.”
Het panel benoemde ook de verschillende kaders waarin duurzaamheid vandaag wordt vormgegeven. Lode Lefevre verwees naar wettelijke kaders zoals EPB en TOTEM, maar ook naar commerciële labels zoals BREEAM en LEED. Els Vandenberghe bracht het Vlaamse GRO-instrument onder de aandacht: “GRO is ontwikkeld door het Vlaams Facilitair Bedrijf en wordt steeds vaker gebruikt bij openbare aanbestedingen. Het omvat niet alleen energie en materialen, maar ook sociale aspecten en hittestress.”
Els Vandenberghe: “Toch blijft de particuliere markt achter. De kleine opdrachtgever komt vaak met een klassiek wensenlijstje: een mooie keuken, een mooie gevel. Duurzaamheid is zelden een expliciete vraag. Maar daar ligt net de kracht van de architect: maak duurzaam bouwen de standaard. Niet als optie, maar als vanzelfsprekendheid.”
Conclusie en aanbevelingen
Het panelgesprek bracht een rijk en genuanceerd beeld van de uitdagingen én kansen rond net zero bouwen. Enkele kerninzichten:
1. Definieer helder wat ‘net zero’ betekent
- Maak onderscheid tussen operationele en ingebedde CO₂.
- Bepaal de scope: gebouwgebonden of breder?
- Vermijd greenwashing door offsetting niet als excuus te gebruiken.
2. Zet in op sufficiëntie en intensief gebruik
- Minder bouwen, meer hergebruiken.
- Denk programmatorisch: hoe kan infrastructuur dubbel gebruikt worden?
- Herbekijk comforteisen en werk met relatief comfort.
3. Werk multidisciplinair en participatief
- Betrek gebruikers, ingenieurs, buurt en andere stakeholders vanaf het begin.
- Deel kennis en inzichten, ook na oplevering.
- Ontwerp in functie van het bestaande gebouw, niet omgekeerd.
4. Maak circulair bouwen concreet
- Combineer circulair ontwerp, urban mining en circulaire businessmodellen.
- Gebruik tools zoals TOTEM en GRO om keuzes te onderbouwen.
- Stimuleer hergebruik vandaag, niet alleen in de toekomst.
5. Herformuleer de vraag van de klant
- Ga het gesprek aan over de echte noden.
- Gebruik duurzaamheid als vertrekpunt, niet als optie.
- Creëer bewustwording, ook bij particuliere opdrachtgevers.